Citaat | Hoge Raad 2 maart 2012

Alinea 49 Hoge Raad 2 maart 2012

Een alinea uit Hoge Raad 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176.

De vordering van ABN AMRO tot verval van instantie was er naar haar aard op gericht dat [eiser] hetzij verder zou procederen, hetzij de instantie zou beëindigen (de ratio van de mogelijkheid van verval van instantie in de huidige wettelijke regeling daarvan). [Eiser] heeft de incidentele vordering op de laatst mogelijke datum ingesteld, toen hij na een allerlaatste uitstel van grieven moest dienen, op straffe van verval van instantie. Weliswaar heeft [eiser] aangevoerd dat een grote samenhang bestond tussen de beide procedures en dat hij er (daarom) een wezenlijk belang bij had dat beide zaken in samenhang beoordeeld zouden worden, maar hij heeft, naar besloten ligt in de overwegingen van het hof met betrekking tot het verzoek om uitstel, niet aannemelijk gemaakt dat dit hem belette op behoorlijke wijze zijn grieven in deze procedure te formuleren. Ook laatstgenoemd oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen [eiser] in zijn incidentele memorie op dit punt heeft aangevoerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01ccb4f06ed4d7ba85392b06916ee3d40a5ce2fe3132423a12cd76a359028c12. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01ccb4f06ed4d7ba85392b06916ee3d40a5ce2fe3132423a12cd76a359028c12, en de alinea staat in dat document op bytes 15719 tot 16738.