Citaat | Hoge Raad 28 februari 2012

Alinea 18 Hoge Raad 28 februari 2012

Een alinea uit Hoge Raad 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8648.

"Op 6 september 2007 werd ik in de woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam slachtoffer van een overval. Ik ben hoofdbewoonster van de woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam. Opeens kwamen er drie jongens aanlopen. Ik ken één van deze jongens als '[A]'. [Betrokkene 3] ([betrokkene 3], naar het hof begrijpt) en ik renden naar boven en zagen boven dat mijn vriend [betrokkene 1] (het hof begrijpt hier en hierna: [betrokkene 1]) op het bed zat in mijn slaapkamer. Daaromheen stonden de drie jongens. Ik zag dat minimaal twee van die jongens een pistool in hun handen hadden. De jongen die ik ken als '[A]' stond naast het bed. Ik zag dat de ketting van [betrokkene 1] weg was. De portemonnee van [betrokkene 1] lag open op het bed."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/760d375e4516839037c3606e38f19ff61cd9e8c491e94791c33e5b41e6905186. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 760d375e4516839037c3606e38f19ff61cd9e8c491e94791c33e5b41e6905186, en de alinea staat in dat document op bytes 7623 tot 8370.