Citaat | Hoge Raad 20 januari 2012

Alinea 32 Hoge Raad 20 januari 2012

Een alinea uit Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9210.

Ingevolge art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken diende de vrouw te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na indiening van het verweerschrift zou zijn bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad dan wel ter griffie van de Hoge Raad zou zijn gestort. Die termijn liep af op 28 juni 2011, maar de vrouw heeft het griffierecht eerst op 30 juni 2011 voldaan. Dat brengt mee dat de Hoge Raad op grond van het bepaalde in art. 282a lid 3 in verbinding met art. 427b Rv. het ingediende verweerschrift niet betrekt bij zijn beslissing op het cassatieverzoek. Ingevolge art. 282a lid 4 Rv. (hierna aangeduid als de "hardheidsclausule"), laat de rechter het derde lid echter buiten toepassing, indien hij van oordeel is dat de toepassing daarvan gelet op het belang van een of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fb7b29d4b74aa7ed4ec2e1eab58fdae8fc2880f16f1c184e8546df4d8f88310f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fb7b29d4b74aa7ed4ec2e1eab58fdae8fc2880f16f1c184e8546df4d8f88310f, en de alinea staat in dat document op bytes 7128 tot 8046.