Citaat | Hoge Raad 9 maart 2012
Alinea 37 Hoge Raad 9 maart 2012
Een alinea uit Hoge Raad 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884.
De geboorteakte uit 1982 vermeldt ten onrechte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als de biologische ouders. Zij zijn een tante onderscheidenlijk oom van verweerster en daarmee familieleden die volgens de Dominicaanse wet niet bevoegd zijn aangifte te doen van haar geboorte. Die geboorteakte is onjuist en in strijd met de Dominicaanse wet (rov. 1.2, 1.3 en 1.5 van de tussenbeschikking van 1 april 2010 alsmede rov. 2.1). Dat de akte inhoudelijk evident onjuist is, wordt door de Staat niet langer weersproken. Het is dan onnodig formalistisch om, op de grond dat geen rectificatie heeft plaatsgevonden door een Dominicaanse rechter, toch uit te gaan van de juistheid van die akte. Om dezelfde reden kan de Staat niet staande houden dat verweerster reeds een juridische vader heeft, te weten de in de akte genoemde [betrokkene 2], die haar zou hebben erkend (rov. 2.2). De op 11 april 1997 opgemaakte nieuwe geboorteakte strekte mede tot erkenning van verweerster door [betrokkene 5]. Die erkenning is met toestemming van zowel [betrokkene 4] als verweerster geschied (rov. 2.3). De toestemming is echter niet schriftelijk vastgelegd, zodat - formeel gezien - naar Nederlands recht geen sprake is van erkenning. In de tussenbeschikking van 1 april 2010 is uiteengezet onder welke omstandigheden verweerster zowel naar Dominicaans als naar Nederlands recht een beroep op "bezit van staat" (van erkend kind) toekomt. Bezit van staat (art. 1:209 BW) doet zich voor indien de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij of zij in een bepaalde familiebetrekking staat ten opzichte van een ander (rov. 2.4). Verweerster heeft vanaf haar vijftiende levensjaar de achternaam [achternaam van betrokkene 5] gedragen. [Betrokkene 5] heeft haar als zijn kind behandeld, in haar onderhoud voorzien en haar opgevoed. In de Nederlandse maatschappij wordt zij gezien als zijn kind. Dit volgt uit de kopie van het inburgeringsdiploma, alsmede uit de bank- en verzekeringspasjes die zij tijdens de mondelinge behandeling heeft getoond. Daarop staat als haar achternaam "[achternaam van betrokkene 5]". Ook de familie van [betrokkene 5] heeft haar steeds als diens dochter gezien (rov. 2.5). Gelet op de in rov. 2.5 genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerster vanaf een moment dat gelegen is ruim voor haar meerderjarig worden - de rechtbank bepaalt dat moment op 11 april 1999, twee jaar na de akte van 11 april 1997 - de staat bezit van erkend kind van [betrokkene 5]. Dat die akte niet is opgemaakt in Nederland doet aan een beroep op bezit van staat niet af, waarbij de rechtbank verwijst naar HR 5 september 2007, LJN BD2711, NJ 2008/477. De familierechtelijke status van verweerster staat vanaf 11 april 1999 gelijk met die van een (door [betrokkene 5]) erkend kind, zodat zij sindsdien de Nederlandse nationaliteit heeft op grond van art. 4 lid 1 (oud) RWN.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ceecfd0bc4db4c9ae7098d6ef2101abb0c91de0c82231280bc4228734de4a9c3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ceecfd0bc4db4c9ae7098d6ef2101abb0c91de0c82231280bc4228734de4a9c3, en de alinea staat in dat document op bytes 9089 tot 12063.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ceecfd0bc4db4c9ae7098d6ef2101abb0c91de0c82231280bc4228734de4a9c3 | shasum -a 256