Citaat | Hoge Raad 6 januari 2012
Alinea 20 Hoge Raad 6 januari 2012
Een alinea uit Hoge Raad 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0250.
3.3. Het middel dat zich tegen dit oordeel richt, slaagt. Als gebruiker van een onroerende zaak in de zin van artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet kan worden aangemerkt degene die de zaak metterdaad bezigt ter bevrediging van zijn behoeften (vgl. HR 7 oktober 1998, nr. 33767, LJN AA2318, BNB 1999/5). Daarvan is geen sprake in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende sedert de verwerving van percelen bouwgrond op of aan de onroerende zaak zelf nog in het geheel geen werkzaamheden heeft verricht en deze slechts aanhoudt in afwachting van het definitief vaststaan van de voor de voorgenomen bouwactiviteiten vereiste vergunningen. De enkele omstandigheid dat de onroerende zaak intussen aan belanghebbende ter beschikking stond is op zichzelf onvoldoende om belanghebbende als gebruiker in voormelde zin te kunnen aanmerken (vgl. HR 22 juli 1985, nr. 22649, BNB 1985/258).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb4339569067072591e6d81b130d0edb3e5ed19275f8d3f1614de5187d196f44. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb4339569067072591e6d81b130d0edb3e5ed19275f8d3f1614de5187d196f44, en de alinea staat in dat document op bytes 8237 tot 9154.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bb4339569067072591e6d81b130d0edb3e5ed19275f8d3f1614de5187d196f44 | shasum -a 256