Citaat | Hoge Raad 22 juni 2012

Alinea 40 Hoge Raad 22 juni 2012

Een alinea uit Hoge Raad 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663.

4.3.1. Middel IV richt zich verder tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende zich er ten tijde van het doen van de aangifte van bewust had moeten zijn dat - kennelijk: als gevolg van die aangifte - een aanzienlijk bedrag aan successierecht niet zou worden geheven. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij verdient opmerking dat het bij de zogenoemde omkering van de bewijslast niet gaat om een maatregel waarop strafrechtelijke beginselen van toepassing zijn. Kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat of die de belastingplichtige anderszins behulpzaam zijn geweest bij de nakoming van zijn verplichting tot het doen van aangifte, moeten daarom in dit verband aan die belastingplichtige worden toegerekend (vgl. HR 23 januari 2009, nr. 07/10942, LJN BD3566, BNB 2009/80). Nu hier sprake is van een door de echtgenote namens alle erfgenamen gedane gezamenlijke aangifte, verwijt middel IV het Hof dan ook ten onrechte dat het "alle belanghebbenden over één kam scheert".

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0bb4fab67df43e7cd3a749de1a70768c69ebc1acf02c7ed39421fc278914a095. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0bb4fab67df43e7cd3a749de1a70768c69ebc1acf02c7ed39421fc278914a095, en de alinea staat in dat document op bytes 15650 tot 16724.