Citaat | Hoge Raad 17 april 2012

Alinea 41 Hoge Raad 17 april 2012

Een alinea uit Hoge Raad 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9064.

3.3. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de enkele omstandigheid dat [medeverdachte 1] zonder toestemming van Stichting [A] met de mobiele telefoon van die stichting een creditaccount heeft geopend en aldus de credits heeft bemachtigd, niet meebrengt dat [medeverdachte 1] die credits door misdrijf heeft verkregen. Die opvatting geeft echter blijk van een te beperkte lezing van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. Het Hof heeft immers kennelijk en niet onbegrijpelijk uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen afgeleid dat [medeverdachte 1] zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester heeft beschikt over credits die aan een ander toebehoren. Het oordeel van het Hof dat [medeverdachte 1] zich aldus heeft schuldig gemaakt aan verduistering geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent art. 321 Sr (vgl. HR 24 oktober 1989, LJN ZC8253, NJ 1990/256).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e304156c142219dd7edb10c6ffb310a7680c45f3e9431fce5aad569ddb23f453. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e304156c142219dd7edb10c6ffb310a7680c45f3e9431fce5aad569ddb23f453, en de alinea staat in dat document op bytes 14608 tot 15511.