Citaat | Hoge Raad 17 april 2012
Alinea 66 Hoge Raad 17 april 2012
Een alinea uit Hoge Raad 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489.
4.2.3. Voor zover de middelen mede beogen te klagen over schending van het krachtens art. 29 UW toepasselijke art. 328 in verbinding met art. 331 Sv falen zij eveneens. In het licht van hetgeen blijkens de toelichting op het derde middel ten grondslag is gelegd aan het verzoek om met oog op het bepaalde in art. 5 van het hier toepasselijke Uitleveringsverdrag aan de Officier van Justitie op te dragen onderzoek te doen naar het verloop van de gestelde rechtsgang in Pakistan, is de afwijzing door de Rechtbank van dat verzoek immers niet onbegrijpelijk. Die afwijzing is toereikend gemotiveerd. Een en ander geldt - gelet op hetgeen blijkens de toelichting op het vijfde middel ten grondslag is gelegd aan het verzoek - ook voor de afwijzing door de Rechtbank van het verzoek om nader onderzoek te verrichten naar de gestelde foltering van de opgeëiste persoon in Pakistan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bac0bfabf6596a69b46351d69c2a20a3eade0400c7d687b9d09976c820772cc6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bac0bfabf6596a69b46351d69c2a20a3eade0400c7d687b9d09976c820772cc6, en de alinea staat in dat document op bytes 23999 tot 24889.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bac0bfabf6596a69b46351d69c2a20a3eade0400c7d687b9d09976c820772cc6 | shasum -a 256