Citaat | Hoge Raad 13 juli 2012

Alinea 52 Hoge Raad 13 juli 2012

Een alinea uit Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3264.

3.6.2 Bij de beoordeling van deze argumenten dient te worden vooropgesteld dat de wetgever tussentijds beroep in art. 337 lid 2 Rv. (en art. 401a lid 2 Rv.) heeft uitgesloten om fragmentatie van de instructie van de zaak, vertraging en processuele complicaties, een en ander als gevolg van tussentijds beroep, tegen te gaan en aldus de doelmatigheid en snelheid van de procedure te bevorderen (Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, blz. 459 en blz. 460-461, zoals aangehaald in het hiervoor genoemde arrest van 22 januari 2010, rov. 3.4.2). Deze gronden zijn niet aan de orde in een afzonderlijke procedure op de voet van art. 843a Rv.; het feit dat (ook) een zodanige afzonderlijke procedure mogelijk is en dat daarin direct beroep mogelijk is, levert dan ook geen voldoende argument op om steeds tussentijds beroep toelaatbaar te achten indien art. 843a Rv. wordt ingeroepen in een lopend geding.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f5d8cb878116f890b92a8011c75cc3f4bc3a870156e21a7385525660d4f7407c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f5d8cb878116f890b92a8011c75cc3f4bc3a870156e21a7385525660d4f7407c, en de alinea staat in dat document op bytes 14632 tot 15537.