Citaat | Hoge Raad 10 augustus 2012

Alinea 48 Hoge Raad 10 augustus 2012

Een alinea uit Hoge Raad 10 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5357.

3.4 Het oordeel van het hof in rov. 3.9 - 3.10 moet aldus worden verstaan dat de aard van een huurovereenkomst, mede gelet op het bepaalde in art. 7:201 lid 1 BW, meebrengt dat de in de huurovereenkomst bepaalde tegenprestatie van de huurder (in het onderhavige geval: het maandelijks voldoen van een huurprijs van € 3.000,--) is verschuldigd vanaf het moment waarop de verhuurder het gehuurde aan de huurder in gebruik heeft verstrekt, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of uit de overeenkomst van partijen anders voortvloeit. Dat oordeel is juist. Nu de verplichting van een verhuurder inhoudt dat hij de zaak in gebruik aan de huurder verstrekt, en de huurder zich daartegenover verbindt de tegenprestatie te voldoen, brengt zulks mee dat die tegenprestatie, behoudens andersluidende afspraken, opeisbaar wordt wanneer de verhuurder de zaak in gebruik heeft verstrekt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5efcf287f4b4b16ccaf7be20fc1566c6730a1d2f9f2488561f4f806541a28153. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5efcf287f4b4b16ccaf7be20fc1566c6730a1d2f9f2488561f4f806541a28153, en de alinea staat in dat document op bytes 10560 tot 11454.