Citaat | Hoge Raad 22 mei 2012

Alinea 35 Hoge Raad 22 mei 2012

Een alinea uit Hoge Raad 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6199.

2.3. Ingevolge art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt (vgl. HR 16 november 1999, LJN ZD1451, NJ 2000/214).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5f7a30fd1033c16a6837cdd6213edd3c97b90e334aa5f308fea03f02ddb63223. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5f7a30fd1033c16a6837cdd6213edd3c97b90e334aa5f308fea03f02ddb63223, en de alinea staat in dat document op bytes 10845 tot 11699.