Citaat | Hoge Raad 26 juni 2012

Alinea 37 Hoge Raad 26 juni 2012

Een alinea uit Hoge Raad 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9182.

Wat het in tijd gezien eerste ten laste gelegde feit betreft (feit 3, voor zover ziend op de datum van 31 mei 2005) acht het hof geen bewijs voorhanden om te komen tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van oplichting (ten tijde van het voor de eerste keer huren), maar wel voor een bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde medeplegen van verduistering (op het moment dat de steigers worden vervreemd). Het door verdachte huren van de steigers in Amsterdam, het vermelden van een onjuist werkadres, het in aanwezigheid van verdachte verwijderen van de stickers waaruit bleek wie de rechtmatige eigenaar van de steigers was in de tuin van verdachtes woning in Almere en het vervolgens vervoeren en lossen van de steigers in Beerze, alwaar de beide steigers zijn verkocht door [betrokkene 1] aan getuige [getuige 1], vormen voor het hof de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof de in het opzetbegrip besloten liggende wetenschap aan verdachte toeschrijft, benodigd voor de bewezenverklaring van het medeplegen van verduistering."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b2d0d18db5ec655e395db7f2dab8f3caaa757eb50827148ea0efceb9a3180663. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b2d0d18db5ec655e395db7f2dab8f3caaa757eb50827148ea0efceb9a3180663, en de alinea staat in dat document op bytes 12458 tot 13577.