Citaat | Hoge Raad 6 november 2012

Alinea 24 Hoge Raad 6 november 2012

Een alinea uit Hoge Raad 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9266.

2.5. Vaak zal een vreemdeling met een beroep op zijn vluchtelingenstatus een aanvrage tot verblijf in Nederland indienen. Dan zijn het de Minister en - na ingesteld beroep - de bestuursrechter die oordelen over de aannemelijkheid van, kort gezegd, het vluchtrelaas. Een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter brengt, mede met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken, mee dat in het geval dat de daartoe bij uitstek aangewezen hoogste bestuursrechter in een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang onherroepelijk heeft beslist dat het beroep van de vreemdeling op de vluchtelingenstatus ongegrond is, de strafrechter - behoudens bijzondere omstandigheden - in beginsel van dat oordeel van deze bestuursrechter (en ingeval geen beroep is ingesteld: dat van de Minister) dient uit te gaan en zich niet opnieuw zelfstandig een oordeel over het beroep op de vluchtelingenstatus vormt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0da2e42e42626917c25ce7ae73e81ddf3957abc1a96aebceefb0197619aabbb3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0da2e42e42626917c25ce7ae73e81ddf3957abc1a96aebceefb0197619aabbb3, en de alinea staat in dat document op bytes 11702 tot 12665.