Citaat | Hoge Raad 3 juli 2012

Alinea 26 Hoge Raad 3 juli 2012

Een alinea uit Hoge Raad 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9970.

Naar het oordeel van het hof is de als feit 1 ten laste gelegde wederspannigheid niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe het volgende. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 5 mei 2007 (dossier pagina 6) blijkt dat de desbetreffende verbalisant de verdachte heeft gevraagd een legitimatiebewijs te tonen. Dit enkele vragen kan naar het oordeel van het hof niet worden gelijkgesteld met een vordering als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Identificatieplicht. Derhalve rustte op de verdachte geen verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden en kon hij ook niet in verband met een overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht worden aangehouden. Dat brengt mee dat op het moment van aanhouding van de verdachte geen sprake was van een rechtmatige uitoefening van de bediening van de verbalisant.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3333592d7a4de67546d2c9555e4f53b5c3a3b8db2b63df2a9f5bfae53f911781. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3333592d7a4de67546d2c9555e4f53b5c3a3b8db2b63df2a9f5bfae53f911781, en de alinea staat in dat document op bytes 8496 tot 9420.