Citaat | Hoge Raad 3 juli 2012

Alinea 34 Hoge Raad 3 juli 2012

Een alinea uit Hoge Raad 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9970.

2.6. Voor zover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat in het onderhavige geval de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van het (impliciet) subsidiair tenlastegelegde misdrijf 'eenvoudige belediging', aangezien de klachtgerechtigde niet een klacht heeft ingediend op de wijze als voorzien in art. 164 Sv, faalt het. Het bepaalde in art. 164 Sv strekt ertoe te doen vaststaan dat de tot klacht gerechtigde persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen. Blijkens zijn hiervoor onder 2.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof vastgesteld dat de in de bewezenverklaring genoemde [verbalisant 1] in het door haar opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 5 mei 2007 de wens te kennen heeft gegeven dat tegen de verdachte een vervolging zou worden ingesteld. Hierin ligt besloten dat het Hof heeft geoordeeld dat genoemde [verbalisant 1] een klacht in de zin van art. 164, eerste lid, Sv heeft gedaan. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3333592d7a4de67546d2c9555e4f53b5c3a3b8db2b63df2a9f5bfae53f911781. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3333592d7a4de67546d2c9555e4f53b5c3a3b8db2b63df2a9f5bfae53f911781, en de alinea staat in dat document op bytes 11770 tot 12832.