Citaat | Hoge Raad 3 juli 2012
Alinea 29 Hoge Raad 3 juli 2012
Een alinea uit Hoge Raad 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9987.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd doet de omstandigheid dat de verdenking van de feiten niet specifiek aan de opgeëiste persoon kenbaar was gemaakt aan het stuiten van de verjaring niet af, nu immers artikel 72, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht niet de eis stelt dat de verdachte bekend is met de daad van vervolging. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon niet in dit Criminal indictment wordt vermeld, betekent niet dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden met die Criminal indictment. Immers, de kern van de verdenking van de strafbare gedragingen in de Criminal indictment is in de Second Superseding Indictment, in stand gebleven, met dien verstande dat in de Second Superseding Indictment het aantal verdachten is uitgebreid, onder meer met de opgeëiste persoon, en daarnaast ook meer feiten zijn opgenomen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2e2a4c59876c79555146abd618c9dbee8f402ff5608a405a7553cf173dcd4013. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2e2a4c59876c79555146abd618c9dbee8f402ff5608a405a7553cf173dcd4013, en de alinea staat in dat document op bytes 11150 tot 12049.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2e2a4c59876c79555146abd618c9dbee8f402ff5608a405a7553cf173dcd4013 | shasum -a 256