Citaat | Hoge Raad 13 november 2012

Alinea 29 Hoge Raad 13 november 2012

Een alinea uit Hoge Raad 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0806.

Ik doe aangifte van oplichting. Op 26 augustus 2008 ging de voordeurbel van mijn appartement. Ik zag door het glas van mijn voordeur dat er een man voor mijn deur stond. Ik deed mijn voordeur open. De man vertelde mij dat hij geld aan het ophalen was voor een goed doel. Hij vertelde dat hij zemen en sponsen voor dit goede doel in een pakketje verkocht. Ik gaf de man een briefje van 10 euro. Ik kreeg 2,50 euro van hem terug. Ik heb van de man een pakketje met zemen en sponsen overhandigd gekregen. Als ik zou hebben geweten dat de verdachte een valse hoedanigheid had aangenomen, dan wel gebruik maakte van een samenweefsel van verdichtsels, dan zou ik niet tot afgifte zijn overgegaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5727c8db18fa4e357906e7c5533ab5870f79233df4565b482936339641642c85. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5727c8db18fa4e357906e7c5533ab5870f79233df4565b482936339641642c85, en de alinea staat in dat document op bytes 11466 tot 12169.