Citaat | Hoge Raad 13 november 2012
Alinea 31 Hoge Raad 13 november 2012
Een alinea uit Hoge Raad 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0806.
Ik doe aangifte van oplichting. Op 26 augustus 2008 bevond ik mij in mijn woning aan [de a-straat 2] te [plaats]. Ik hoorde dat de voordeurbel ging. Ik keek door het raam langs de voordeur en zag een meneer staan. Ik deed de deur open. Ik hoorde dat de man zei dat hij iets kwam verkopen voor peuterspeelzalen in Grave. Ik zei dat ik dan wel wat wilde kopen en kocht van hem voor 7,50 euro een pakketje met schoonmaakartikelen. Ik gaf hem 7,50 euro. Als ik zou hebben geweten dat de verdachte een valse hoedanigheid had aangenomen, dan wel gebruik maakte van een samenweefsel van verdichtsels, dan zou ik niet tot afgifte zijn overgegaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5727c8db18fa4e357906e7c5533ab5870f79233df4565b482936339641642c85. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5727c8db18fa4e357906e7c5533ab5870f79233df4565b482936339641642c85, en de alinea staat in dat document op bytes 12697 tot 13348.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5727c8db18fa4e357906e7c5533ab5870f79233df4565b482936339641642c85 | shasum -a 256