Citaat | Hoge Raad 9 oktober 2012
Alinea 16 Hoge Raad 9 oktober 2012
Een alinea uit Hoge Raad 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6949.
De verdediging heeft zich ten aanzien van aanklacht 1 op het standpunt gesteld dat artikel 9, derde lid, van het Verdrag eist dat bij het uitleveringsverzoek onder meer het bewijsmateriaal wordt overgelegd dat de aanhouding en dagvaarding van de opgeëiste persoon rechtvaardigt. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of het overgelegde bewijs volgens de maatstaven van artikel 250 (de rechtbank begrijpt: artikel 350) van het Wetboek van Strafvordering toereikend is. De beoordeling gaat daarmee verder dan het aantonen van de kennelijke onschuld als bedoeld artikel 26, derde lid, Uitleveringswet (hierna: ULW). Gelet op de gronden van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering staat in de uitleveringsprocedure de waarschijnlijkheid van een veroordeling ter beoordeling op grond van het door verzoekende staat aangedragen bewijsmateriaal.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0fe0f796b73ce3d3911de7afc39716c7939f60e5a816c16ab6714cbc757aced8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0fe0f796b73ce3d3911de7afc39716c7939f60e5a816c16ab6714cbc757aced8, en de alinea staat in dat document op bytes 7835 tot 8697.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0fe0f796b73ce3d3911de7afc39716c7939f60e5a816c16ab6714cbc757aced8 | shasum -a 256