Citaat | Hoge Raad 14 december 2012
Alinea 24 Hoge Raad 14 december 2012
Een alinea uit Hoge Raad 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2239.
3.2 [Verzoeker] betoogt dat genoemde eis van art. 426a lid 1 Rv in strijd komt met het recht op mededinging zoals geregeld in het Europese recht. Deze stelling is ongegrond. Art. 5 lid 3 van richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven (PbEG L 77) staat toe dat de nationale wetgever, met het oog op de goede werking van de rechtspleging, specifieke regels stelt met betrekking tot de toegang tot de hogere rechtscolleges, zoals de verplichting dat een daartoe gespecialiseerde advocaat moet worden ingeschakeld. De in cassatie wettelijk verplichte vertegenwoordiging van partijen door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals nader geregeld in de Wet versterking cassatierechtspraak (Wet van 15 maart 2012, Stb. 2012, 116), berust op de doelstelling die in deze bepaling wordt genoemd (vgl. Kamerstukken II 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 13). Genoemde eis komt derhalve niet in strijd met het Europese mededingingsrecht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3dd3635c112dbe9068dcc918f3c11155a986ac7d0233f795f882947b6d81343a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3dd3635c112dbe9068dcc918f3c11155a986ac7d0233f795f882947b6d81343a, en de alinea staat in dat document op bytes 6507 tot 7640.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3dd3635c112dbe9068dcc918f3c11155a986ac7d0233f795f882947b6d81343a | shasum -a 256