Citaat | Hoge Raad 3 december 2013

Onder 2.6.2. Hoge Raad 3 december 2013

Een alinea uit Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1561.

Daarmee is, in lijn met de in de conclusie van de Advocaat–Generaal onder 3.15 en 3.16 genoemde Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Pb L 304/12), aan de verdachte een zogenoemde subsidiaire vorm van bescherming geboden, die als een aanvulling moet worden beschouwd op de aan vluchtelingen op grond van het Vluchtelingenverdrag te bieden bescherming. Dat brengt mee dat de bescherming die krachtens de hiervoor onder 2.5 vermelde rechtspraak van de Hoge Raad een vluchteling kan ontlenen aan de strekking van art. 31 Vluchtelingenverdrag in de gevallen waarin nog niet definitief (afwijzend) is beslist op een door hem gedane (eerste) asielaanvraag, zich op overeenkomstige wijze behoort uit te strekken tot de vreemdeling aan wie de even genoemde subsidiaire vorm van bescherming is geboden doordat hem een verblijfsvergunning op grond van art. 29, eerste lid onder b, Vw 2000 is verleend. Zo een vreemdeling behoort niet strafrechtelijk te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn reis naar Nederland in het bezit hebben of aangewend hebben van valse of vervalste documenten. Daaruit volgt dat het Hof het Openbaar Ministerie in de op art. 231 Sr gebaseerde strafvervolging van de verdachte niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6ae57e2c4451f676a82a1f2b60265d19328da214e0f3b4325258f4ee97725728. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6ae57e2c4451f676a82a1f2b60265d19328da214e0f3b4325258f4ee97725728, en de alinea staat in dat document op bytes 17122 tot 18614.