Citaat | Hoge Raad 17 december 2013
Onder 2.2.2. Hoge Raad 17 december 2013
Een alinea uit Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964.
Dit alles leidt tot de conclusie dat verdachte bij gebrek aan het voor een bewezenverklaring vereiste wettige en overtuigende bewijs moet worden vrijgesproken van het onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Het hof komt eveneens tot vrijspraak van medeverdachte [medeverdachte] op deze punten. Het hof realiseert zich dat deze vrijspraken in de samenleving in het algemeen en bij de nabestaanden van slachtoffer [slachtoffer] in het bijzonder onbegrip en verontwaardiging kunnen oproepen. De vraag wie verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] wordt immers niet beantwoord en die verantwoordelijke wordt niet bestraft. Ook het hof vindt dit een onbevredigende uitkomst. Een aanrijding waarbij een dode te betreuren valt, is een ernstig feit waarbij de precieze toedracht zo enigszins mogelijk dient te worden vastgesteld. In deze zaak, waar het dan ook nog eens gaat om verdachten die op de vlucht zijn voor de politie, blijft een deel van die toedracht, namelijk wie er heeft gereden, onduidelijk. Dit is een slecht te verteren uitkomst, temeer omdat vaststaat dan één van de twee verdachten de bestuurder is geweest en de beide verdachten weten wie van hen beiden dit is geweest en één van de twee daarover dus liegt. Hierbij dient ook nog het volgende te worden bedacht. Ingevolge artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht worden als daders gestraft zij die het feit medeplegen. Medeplegen vereist een bewuste en nauwe samenwerking tussen de medeplegers. Indien op grond van de drie hiervoor genoemde mogelijkheden uit het proces-verbaal Rijproeven motorscooter zonder meer aangenomen zou moeten worden dat degene die achterop een tweewielig motorrijtuig zit medepleger is van de wijze van rijden door de bestuurder en de gevolgen daarvan, wordt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van die passagier onaanvaardbaar opgerekt. Een bewezenverklaring van medeplegen zou dan immers betekenen dat die passagier louter op grond van die mogelijkheden in gelijke mate strafrechtelijk aansprakelijk is voor de wijze van rijden en de gevolgen daarvan als de bestuurder. Dat gaat naar het oordeel van het hof te ver. De omschrijving van gedragingen in het Wetboek van Strafrecht strekt er niet alleen toe om nauwkeurig aan te geven wanneer strafrechtelijke aansprakelijkheid gevestigd wordt, maar ook om duidelijk te maken wanneer gedragingen niet tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden en overheidsbemoeienis in de vorm van opsporing en vervolging dus niet gerechtvaardigd is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ca72f3c74cef3675235c261a79c34ce0923429e7bcaad94c99be26416a91d82. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ca72f3c74cef3675235c261a79c34ce0923429e7bcaad94c99be26416a91d82, en de alinea staat in dat document op bytes 37160 tot 39687.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0ca72f3c74cef3675235c261a79c34ce0923429e7bcaad94c99be26416a91d82 | shasum -a 256