Citaat | Hoge Raad 20 december 2013

Onder 3.5.2 Hoge Raad 20 december 2013

Een alinea uit Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2049.

Het voorgaande brengt mee dat partijen aan een tijdens de mediation gemaakte afspraak in beginsel niet het vertrouwen mogen ontlenen dat die afspraak hen na beëindiging van de mediation juridisch blijft binden, zolang niet is voldaan aan de daartoe in de mediationovereenkomst overeengekomen vormvereisten. Nu vaststaat dat de tussen partijen opgemaakte schriftelijke overeenkomst met betrekking tot de taxatie van het pand van [verweerder] niet (met zoveel woorden) vermeldt dat partijen aan de afspraak juridisch worden gebonden, terwijl de overeenkomst ook niet door de mediator ‘voor gezien’ is getekend, geeft het oordeel van het hof dat [verweerder] de overeenkomst mocht opvatten als een bindende tussentijdse afspraak als bedoeld in art. 4.5, eerste bullet , gelet op het bovenstaande blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel 1.a is dan ook gegrond. Daarbij verdient nog opmerking dat, gelet op hetgeen hiervoor in 3.5.1 (slotzin) is overwogen, de eerste alinea van onderdeel 2.b terecht klaagt dat de vaststelling van het hof dat de tussen partijen gemaakte afspraak blijkens de brief van de mediator van 6 maart 2008 “kennelijk wel de instemming van de mediator heeft”, niet toereikend is om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat [verweerder] de overeenkomst heeft mogen opvatten (niet slechts als een onverbindende (werk)afspraak, maar) als een de partijen bindende tussentijdse afspraak als bedoeld in art. 4.5, eerste bullet .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5f7445d7edb30a9e06b741abdd36454f40366d11f176892f4c23a7fed47ff877. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5f7445d7edb30a9e06b741abdd36454f40366d11f176892f4c23a7fed47ff877, en de alinea staat in dat document op bytes 24403 tot 25945.