Citaat | Hoge Raad 12 juli 2013

Onder 3.3.3. Hoge Raad 12 juli 2013

Een alinea uit Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:21.

Het hiervoor aan het slot van 3.2.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank dient aldus te worden opgevat dat de Rechtbank zich heeft aangesloten bij het gemeenschappelijke standpunt van partijen dat aan de formele eisen voor het instellen van beroep is voldaan zodat de beroepen ontvankelijk zijn. Kennelijk berust dit standpunt mede op het door belanghebbende voor de Rechtbank als subsidiaire stelling verdedigde uitgangspunt dat na de hiervoor in 3.1.3 bedoelde dagvaarding redelijkerwijs niet van belanghebbende kon worden gevergd dat zij het bestuursorgaan in gebreke stelde in de zin van artikel 6:12, lid 3, Awb. Dat standpunt en het daarbij aansluitende oordeel van de Rechtbank geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en berusten voor het overige op een onomstreden waardering van de feiten van het onderhavige geval. In dit verband verdient opmerking dat, aangezien de Inspecteur geen rechtspersoon of natuurlijke persoon is, belanghebbende in het kort geding terecht de Staat in rechte heeft betrokken, mede onder toevoeging dat het hier gaat om de Inspecteur (vgl. HR 25 november 1983, nr. 12068, NJ 1984/297). Daarmee moet de door belanghebbende in die procedure ingestelde vordering worden aangemerkt als een mededeling die (mede) is gericht aan de Inspecteur. De klachten zijn derhalve gegrond voor zover zij inhouden dat het Hof op dit punt is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/75cd8dffbfa1692b3fd0a02ed24b3903407caa6d1effdb989c01aa7c19f0918a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 75cd8dffbfa1692b3fd0a02ed24b3903407caa6d1effdb989c01aa7c19f0918a, en de alinea staat in dat document op bytes 12272 tot 13698.