Citaat | Hoge Raad 25 juni 2013
Onder 2.4. Hoge Raad 25 juni 2013
Een alinea uit Hoge Raad 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:4.
Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof aan de tot bewijs gebezigde, bij de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring van de grootmoeder van de verdachte klaarblijkelijk deze betekenis heeft toegekend dat bij haar, toen zij werd geconfronteerd met de aanwezigheid van bankbiljetten en rolletjes muntgeld in haar wasmand, aanstonds de overtuiging heeft postgevat dat het geld daar door de verdachte, die regelmatig in haar woning kwam, was achtergelaten, terwijl het Hof heeft geoordeeld dat de getuige terecht tot deze gevolgtrekking is gekomen zodat die vereenzelvigd kan worden met een door het Hof gemaakte gevolgtrekking. Ook in zoverre is het oordeel van het Hof, gelet op de overige bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk (vgl. HR 12 januari 1999, LJN ZD1326, NJ 1999/247).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bf893c19180a88b5adbfa11d075bc7577048fec4a4b13c75e95a083d4dcd7f8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bf893c19180a88b5adbfa11d075bc7577048fec4a4b13c75e95a083d4dcd7f8, en de alinea staat in dat document op bytes 11142 tot 11944.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5bf893c19180a88b5adbfa11d075bc7577048fec4a4b13c75e95a083d4dcd7f8 | shasum -a 256