Citaat | Hoge Raad 2 juli 2013
Onder 4.6. Hoge Raad 2 juli 2013
Een alinea uit Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:5.
De getuige [getuige 1] heeft, zoals eerder vermeld, verklaard dat de medeverdachte [medeverdachte], in zijn telefonische contacten, zelf aangaf op welk depotnummer een effectenorder moest worden geplaatst (G-04-01, p. 4). De getuige [getuige 1], senior beleggingsadviseur bij [de bank] sinds 2000, heeft verder verklaard (G04-01, p. 4) dat hij dacht dat [B] BV een vennootschap van de medeverdachte [medeverdachte] was. Hij heeft opdrachten van de medeverdachte [medeverdachte] uitgevoerd tot en met eind augustus 2003, toen [getuige 5], directeur [de bank], een mailtje had rondgestuurd waarin het medewerkers van [de bank] voortaan werd verboden orders van de medeverdachte [medeverdachte] uit voeren. Als hij orders van de medeverdachte [medeverdachte] kreeg, voerde hij die uit. Hij kende de verdachte niet.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aadb0e8fdd6adb6e794e98e2ef3716e246a2e73d2d4c75b29213bedd84c94290. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aadb0e8fdd6adb6e794e98e2ef3716e246a2e73d2d4c75b29213bedd84c94290, en de alinea staat in dat document op bytes 23453 tot 24277.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/aadb0e8fdd6adb6e794e98e2ef3716e246a2e73d2d4c75b29213bedd84c94290 | shasum -a 256