Citaat | Hoge Raad 28 juni 2013

Onder 3.8.4. Hoge Raad 28 juni 2013

Een alinea uit Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63.

Daarom oordeelt de Hoge Raad dat in gevallen waarin feiten en omstandigheden als hiervoor bedoeld in 3.5.1 vaststaan, daaraan mede het vermoeden kan worden ontleend dat de belastingplichtige een banktegoed met een vergelijkbare omvang heeft aangehouden in de loop van het jaar 1993, en dat daarover in 1993 rente is vergoed. Met het oog op beboeting ter zake van de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1993 is derhalve het hiervoor in 3.5 overwogene van overeenkomstige toepassing. Daar legt de Hoge Raad ook de grens. Met het oog op beboeting ter zake van de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over jaren vóór 1993 en de heffing van vermogensbelasting over het jaar 1993 en eerdere jaren zou een overeenkomstig bewijsvermoeden te zeer op veronderstellingen zijn gebaseerd. Het zou daardoor neerkomen op een met artikel 6, lid 2, van het EVRM strijdige omkering van de bewijslast.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be5408cd3cb13c87da7ac6be4c0517679876f11d47bbf22b610fa13e32e39b09. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be5408cd3cb13c87da7ac6be4c0517679876f11d47bbf22b610fa13e32e39b09, en de alinea staat in dat document op bytes 22687 tot 23639.