Citaat | Hoge Raad 25 juni 2013

Onder 3.3.4 Hoge Raad 25 juni 2013

Een alinea uit Hoge Raad 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:72.

"Ik kwam de kamer binnen en dacht toen nog dat ze weg zou gaan, maar dat deed ze niet. Het probleem bleef in de kamer. Er werd toen weer over en weer geduwd. Wij stonden bij het bed en volgens mij had ze haar jas aan. Ze riep naar mij dat ik niet spoorde, dat ik een debiel was. Ik heb me ook kwetsend uitgelaten, over Made of haar moeder. Volgens mij heb ik geroepen dat ze maar moest opflikkeren naar Made. Zij heeft mij toen geslagen en, op het moment dat ik mijn hand uitstak [...], in een van mijn vingers gebeten. Vervolgens heb ik haar [...] in het gezicht geslagen. Ze had gelijk een bloedneus. Dat kon ik zien. Ze is scheldend de badkamer ingelopen. [...] Ik stond op dat moment aan het voeteneind van het bed, met mijn gezicht naar de badkamer, en heb mij vervolgens gedraaid om met mijn linkerhand het wapen van het bureau te pakken. Op het moment dat ik naar de badkamer liep, heb ik het wapen doorgeladen. Dat was nog in de kamer, ergens tussen het bureau en de badkamer in. Daarna ben ik naar de badkamer gelopen. [...] [Ik verwachtte haar bij de spiegel] [In de badkamer zag ik] [...] [slachtoffer 1] op haar knieën voor het bad [...] zitten. Ik heb het wapen gericht en haar daarmee door het hoofd geschoten."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1901b82b7b88bd01c748657dbba421bbf6783552d07525981fb07e27ac2e5980. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1901b82b7b88bd01c748657dbba421bbf6783552d07525981fb07e27ac2e5980, en de alinea staat in dat document op bytes 14574 tot 15813.