Citaat | Hoge Raad 1 februari 2013
Alinea 116 Hoge Raad 1 februari 2013
Een alinea uit Hoge Raad 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4134.
4.1 Bij de beoordeling van de middelen wordt het volgende vooropgesteld. Het onderhavige geval betreft op hoofdpunten eenzelfde situatie als aan de orde was in HR 3 februari 2012, LJN BT6947, NJ 2012/261 (mr. Dix q.q./ING), kort gezegd en voor zover hier van belang: de situatie dat een kredietnemer tot zekerheid van al hetgeen hij aan een bank schuldig is en zal worden, zich door middel van een (stam)pandakte verbindt zijn toekomstige vorderingen op derden aan deze bank te verpanden, en de bank een onherroepelijke volmacht bedingt om de vorderingen daadwerkelijk aan zichzelf te verpanden. In het arrest Dix/ING zijn diverse bezwaren tegen (elementen van) deze constructie verworpen, waaronder het meer algemene bezwaar dat de aanvaarding van de constructie zou betekenen dat art. 3:239 lid 1 BW onaanvaardbaar wordt ondergraven omdat daardoor de verhaalsmogelijkheden van concurrente schuldeisers vrijwel illusoir worden gemaakt. Voor zover de middelen in de onderhavige zaak opnieuw aandacht vragen voor de positie van die schuldeisers, verdient opmerking dat het aan de wetgever is om te beoordelen of hun belangen tegenover de belangen van een vlot functionerend kredietverkeer een sterkere positie zouden moeten innemen dan thans het geval is (vgl. hierover de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.30 e.v. en de mogelijkheid die daar onder 3.49 wordt genoemd).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eb2a728edf395fb3ff61a9c06597ffd4fc92bd42e64299e29dba0eebb9ea55cb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eb2a728edf395fb3ff61a9c06597ffd4fc92bd42e64299e29dba0eebb9ea55cb, en de alinea staat in dat document op bytes 23972 tot 25362.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eb2a728edf395fb3ff61a9c06597ffd4fc92bd42e64299e29dba0eebb9ea55cb | shasum -a 256