Citaat | Hoge Raad 19 maart 2013

Alinea 128 Hoge Raad 19 maart 2013

Een alinea uit Hoge Raad 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4480.

3.3. In het licht van het EVRM is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar met art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM. Van die ongeoorloofdheid is geen sprake indien de verdachte niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit laatste moet aldus worden begrepen dat reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist (vgl. HR 29 januari 2013, LJN BX5539).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/044bf6fe2f3875a1aaa75b85acfad26357b10fc28fae4038c555500ee1baba6f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 044bf6fe2f3875a1aaa75b85acfad26357b10fc28fae4038c555500ee1baba6f, en de alinea staat in dat document op bytes 34110 tot 35152.