Citaat | Hoge Raad 22 april 2014
Onder 4.3. Hoge Raad 22 april 2014
Een alinea uit Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1020.
In het licht van het EVRM is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal van de politie voor zover inhoudende een door enig persoon in het opsporingsonderzoek afgelegde, de verdachte belastende verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar met art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM. Van die ongeoorloofdheid is in elk geval geen sprake indien de verdachte weliswaar niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, doch die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen, in die zin dat de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. (Vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ec00a5a82f199c9e34263368a6dfc091c3896378d02a2855cd5ff7bd802d83b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ec00a5a82f199c9e34263368a6dfc091c3896378d02a2855cd5ff7bd802d83b8, en de alinea staat in dat document op bytes 38375 tot 39426.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ec00a5a82f199c9e34263368a6dfc091c3896378d02a2855cd5ff7bd802d83b8 | shasum -a 256