Citaat | Hoge Raad 22 april 2014

Onder 4.4. Hoge Raad 22 april 2014

Een alinea uit Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1020.

De primaire klacht dat de verdediging niet in enig stadium de gelegenheid heeft gehad [medeverdachte 2] te ondervragen faalt, in aanmerking genomen dat [medeverdachte 2] in zijn verhoor door de Rechter-Commissaris in aanwezigheid van de verdediging een verklaring heeft afgelegd. Weliswaar heeft hij in dat verhoor niet op alle vragen antwoord willen geven, maar - zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.18 tot en met 5.23 – heeft hij wel vragen beantwoord met betrekking tot die onderdelen van de verklaring waarover de verdediging hem wilde horen. De subsidiaire klacht dat de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest [medeverdachte 2] te ondervragen, faalt derhalve eveneens. Aldus kon het Hof de verklaring van [medeverdachte 2] voor het bewijs bezigen. Mede gelet hierop is in de door het Hof gebezigde bewijsvoering voldoende steun in de hiervoor onder 4.3 bedoelde zin te vinden voor de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde, zodat ook de verklaringen van [medeverdachte 3] - die zich tijdens zijn verhoor door de Rechter-Commissaris ten aanzien van alle vragen op zijn verschoningsrecht heeft beroepen waardoor de verdediging niet in enig stadium de gelegenheid heeft gehad [medeverdachte 3] te ondervragen - bruikbaar is voor het bewijs.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ec00a5a82f199c9e34263368a6dfc091c3896378d02a2855cd5ff7bd802d83b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ec00a5a82f199c9e34263368a6dfc091c3896378d02a2855cd5ff7bd802d83b8, en de alinea staat in dat document op bytes 39506 tot 40828.