Citaat | Hoge Raad 3 juni 2014

Onder 2.2. Hoge Raad 3 juni 2014

Een alinea uit Hoge Raad 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1277.

Vandaag, dinsdag 6 mei 2008, omstreeks 09.30 uur, werd ik gebeld door [medeverdachte]. [medeverdachte] is een persoon waarmee ik samen gedetineerd heb gezeten in Heerhugowaard. [medeverdachte] heeft mij ook gevraagd om vandaag een pakketje op te halen op een adres in Amsterdam-West. [medeverdachte] vertelde mij dat op dat adres door een koerier een pakketje zou worden gebracht. Ik moest aldaar gaan staan wachten op de koerier. Ik moest aan die koerier 75 euro betalen. In ruil hiervoor zou ik van die koerier het pakketje krijgen. Ik moest van [medeverdachte] het pakketje meenemen. Volgens [medeverdachte] zou ik vanavond telefoon krijgen van een maat van hem, genaamd [betrokkene 20]. Deze [betrokkene 20] zou het pakketje weer bij mij ophalen. Ik zou van die [betrokkene 20] 200 euro krijgen. Op deze wijze zou ik dus 125 euro verdienen. Vandaag had ik maar 25 euro. Ik moest dus eerst geld lenen. Ik heb mijn vriendin [betrokkene 21] gebeld en gevraagd of ik 50 euro van haar kon lenen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b2ccc99104e5ab0a9ea74103bdfc0c23efb655786509312d4b417d6ff8d457ae. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b2ccc99104e5ab0a9ea74103bdfc0c23efb655786509312d4b417d6ff8d457ae, en de alinea staat in dat document op bytes 27256 tot 28263.