Citaat | Hoge Raad 20 juni 2014
Onder 2.10. Hoge Raad 20 juni 2014
Een alinea uit Hoge Raad 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461.
Slotsom is dat de uitspraak van het Hof moet worden vernietigd op de hiervoor in 2.4, 2.5 en 2.6 vermelde gronden. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De verzoeken om vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moeten worden toegewezen. Ongeacht de vraag of het uitstel van de zitting met inachtneming van hetgeen hiervoor in 2.5.2 is overwogen dient te worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die afwijking van de vuistregels rechtvaardigt, moet de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg worden berekend op (afgerond) drie jaar en zes maanden. Hiervan moet twee jaar worden toegerekend aan de bezwaarfase en een jaar en zes maanden aan de beroepsfase. De Inspecteur en de minister van Veiligheid en Justitie zullen dienovereenkomstig worden veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b8bdaba70f5dec9d9012080b3e8f0f99e73d0e31fb57a33bee5de35b49ea6647. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b8bdaba70f5dec9d9012080b3e8f0f99e73d0e31fb57a33bee5de35b49ea6647, en de alinea staat in dat document op bytes 15481 tot 16410.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b8bdaba70f5dec9d9012080b3e8f0f99e73d0e31fb57a33bee5de35b49ea6647 | shasum -a 256