Citaat | Hoge Raad 24 januari 2014

Onder 4.6 Hoge Raad 24 januari 2014

Een alinea uit Hoge Raad 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:149.

Bij de behandeling van het onderdeel moet van het volgende worden uitgegaan. Ingevolge art. 3:310 BW verjaart een vordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De vraag op welk tijdstip een verjaringstermijn gaat lopen, dient te worden beantwoord aan de hand van alle ter zake dienende omstandigheden (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1688, NJ 2012/194, rov. 3.4.5). De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, dient aldus te worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade volstaat in dat verband niet. (HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850, NJ 2012/193, rov. 3.6) De stelplicht en - bij voldoende betwisting - de bewijslast ter zake van de feiten waaruit de daadwerkelijke bekendheid kan worden afgeleid, rusten op de partij die het beroep op verjaring doet (zie bijvoorbeeld HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6508, rov. 4.1.2).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2c30bb8e750c6dae21cca919c2d0b9afbfc20d23ed51333d9e0d1797d8ef8dc8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2c30bb8e750c6dae21cca919c2d0b9afbfc20d23ed51333d9e0d1797d8ef8dc8, en de alinea staat in dat document op bytes 20917 tot 22080.