Citaat | Hoge Raad 1 juli 2014

Onder 2.3.1. Hoge Raad 1 juli 2014

Een alinea uit Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1559.

De rechtbank werpt cliënt tegen dat hij alléén [betrokkene 1] concreet genoemd heeft, terwijl hij van [betrokkene 2] niet het adres zou hebben aangeleverd. Ik wijs nog maar eens in de eerste plaats op het feit dat [betrokkene 1] de sleutel- of kernpersoon in dit verhaal betreft. [betrokkene 2] heeft laten weten zich alleen door een rechtelijk bevel te laten dwingen. Zoals ik het reeds in eerste aanleg benoemde: hij is niet zo'n "groot voorstander" van verschijning, hetgeen ook niet al te opmerkelijk is nu hij een rol heeft gespeeld waarmee hij bij [betrokkene 1] voorzichtig uitgedrukt niet de handen op elkaar heeft gekregen. Om nog maar te zwijgen van het feit dat justitie hem op de korrel kan nemen. Vergelijk alleen reeds het feit dat de AG hier oplichting door [betrokkene 2] niet uitsluit. Wat daar verder van zij: ik kom aan het slot van dit pleidooi nog terug op deze betrokkene. Voor hier volstaat nog eens te memoreren dat als het verhaal rondom [betrokkene 2] niet zou deugen, aldus niet alleen cliënt maar bovendien [betrokkene 1] gelogen zou hebben. Dat lijkt mij bepaald niet waarschijnlijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/79fb1eb5ded3002394b129a9993e8d8e69aecad1d7a0953c702351a5f5c1d4ba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 79fb1eb5ded3002394b129a9993e8d8e69aecad1d7a0953c702351a5f5c1d4ba, en de alinea staat in dat document op bytes 16640 tot 17769.