Citaat | Hoge Raad 1 juli 2014

Onder 2.2.2. Hoge Raad 1 juli 2014

Een alinea uit Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1561.

Het is op dat moment geweest dat ik op [verdachte] ben gaan inpraten. Ik vroeg hem waarom hij mij wilde vermoorden of dergelijke woorden. Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Maakt toch niet meer uit wat ik doe, ik ben toch al alles verloren". Ik ben toen over de kinderen gaan praten omdat ik dacht dat dit de manier was om op hem door te kunnen dringen. [verdachte] zei: "Dat maakt niks uit, ik ga toch naar de gevangenis". Ik merkte dat ik contact met hem kreeg. Ik bleef maar praten over de kinderen en over mezelf. Tussendoor heb ik steeds maar weer gevraagd of ik rechtop mocht zitten. Ik zei tegen hem dat ik duizelig werd en dat was ook zo. Ik had het ook doodsbenauwd. Ik zag dat hij de hamer nog steeds vasthad. Ik denk dat ik ongeveer 5 tot 10 minuten zo bezig ben geweest en ik heb op een gegeven moment mijn handen op zijn armen geplaatst. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat het allemaal mijn schuld was wat er gebeurd was. Ik had hem jarenlang genegeerd en daardoor was het nu zover gekomen. Dat heeft hij wel 2 keer gezegd. Dat het allemaal mijn schuld was. Ik heb toen mijn handen op zijn kaaklijn geplaatst en zijn gezicht naar mij toe gekanteld zodat ik oogcontact met hem kon maken. Ik heb toen dingen tegen hem gezegd dat ik het ontzettend erg vond dat hij dacht dat ik hem zou negeren, dat ik dacht dat hij ruimte wilde en ik hem die ruimte wilde geven en dat ik toch bewezen had dat ik van hem hield doordat ik niet meteen weggegaan was omdat hij van mij wilde scheiden. Daarop reageerde [verdachte] door te zeggen: "Dat zeg je alleen maar omdat je de politie wil bellen". Ik zei dat ik nog steeds gevoelens voor hem had en dat het toch mogelijk moest zijn om er samen uit te komen. Iedere keer weer vroeg ik hem of ik overeind mocht komen. Op een gegeven moment zag en voelde ik dat hij van mij afging en kon ik rechtop zitten. Ik vroeg hem of ik 112/ambulance mocht bellen en dat mocht van [verdachte]. Ik ben toen heel langzaam opgestaan en naar de telefoon gelopen. Die stond op de dressoir/kast. Ik heb de hoorn van de vaste telefoon gepakt en probeerde 112 te bellen. Dit lukte niet meteen omdat mijn handen kleefden van het bloed. Ik ben toen met de hoorn in de hand richting gang gelopen. [verdachte] liep achter mij aan en vroeg me wat ik deed. Ik zei dat ik 112 probeerde te bellen maar dat dit niet lukte omdat mijn vingers plakten. Ik heb toen de telefoonhoorn in de handen van [verdachte] geduwd en gezegd: "Probeer jij het maar". Hierdoor was [verdachte] helemaal overrompeld. Wat hij met de telefoon gedaan heeft weet ik niet. Ik ben toen doorgelopen naar de gang en doorgerend naar de voordeur. Ik hoorde [verdachte] nog achter mij aanroepen: "Wat doe je nou?" Ik riep dat ik naar de buren zou gaan en hoorde hem naar mij roepen: "Dat is niet nodig". De voordeur was gelukkig niet afgesloten en ik kon naar de buren van nummer [2] lopen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0a8d67f8169593d9c650bf115115cc5939e731b3415a62185820c290ca39ac2e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0a8d67f8169593d9c650bf115115cc5939e731b3415a62185820c290ca39ac2e, en de alinea staat in dat document op bytes 13395 tot 16276.