Citaat | Hoge Raad 1 juli 2014
Onder 3.2.2. Hoge Raad 1 juli 2014
Een alinea uit Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1562.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Bij de opsporing van de verdachte is op 26 april 2010 onder andere een IMSI-catcher ingezet, teneinde het geografische gebied af te bakenen waarbinnen de GSM-telefoon van de verdachte, waarvan het nummer reeds bekend was, zich bevond. Het doel was om de verdachte te kunnen traceren en aanhouden. De officier van justitie heeft blijkens proces-verbaal nr PL1710 2010069476-77 op 26 april 2010 mondeling toestemming verleend tot inzet van het technisch hulpmiddel. Door middel van dit technisch hulpmiddel kon de verdachte op 28 april 2010 worden aangehouden. Het verweer van de raadsman werpt de vraag op of voor een dergelijk gebruik van dit opsporingsmiddel een specifieke wettelijke grondslag vereist is. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat dit niet het geval is. De inbreuk die hiermee op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt is naar het oordeel van het hof zeer gering. Met behulp van dit middel wordt immers slechts bepaald op welke plaats iemand zich bevindt, zonder dat kan worden waargenomen wat hij doet of zegt. Om die reden en gelet op het doel en de duur van de inzet van dit middel is het hof van oordeel dat artikel 2 Politiewet voor het inzetten daarvan een voldoende grondslag biedt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/050c8d6f88f529bf26ed64b6c8f982034920457323040ad8100e7e74c713875a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 050c8d6f88f529bf26ed64b6c8f982034920457323040ad8100e7e74c713875a, en de alinea staat in dat document op bytes 11469 tot 12746.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/050c8d6f88f529bf26ed64b6c8f982034920457323040ad8100e7e74c713875a | shasum -a 256