Citaat | Hoge Raad 11 juli 2014
Onder 3.4 Hoge Raad 11 juli 2014
Een alinea uit Hoge Raad 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1639.
Ingevolge art. 8 Wet Bopz dient de rechter, alvorens op het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging te beslissen, degene ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, te horen, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter zijn oordeel dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen, toereikend te motiveren (zie onder meer HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8128).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5f09a0a4892efb6ae86a7412e619abaf88dbd55dde3ea7343b3d6afce26f8845. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5f09a0a4892efb6ae86a7412e619abaf88dbd55dde3ea7343b3d6afce26f8845, en de alinea staat in dat document op bytes 8890 tot 9378.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5f09a0a4892efb6ae86a7412e619abaf88dbd55dde3ea7343b3d6afce26f8845 | shasum -a 256