Citaat | Hoge Raad 11 juli 2014
Onder 3.2.2 Hoge Raad 11 juli 2014
Een alinea uit Hoge Raad 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680.
Hoewel de vraag of de opgeëiste persoon in het verleden door (functionarissen van) de verzoekende staat is gefolterd, in beginsel door de uitleveringsrechter behoort te worden beoordeeld, stelt de Staat zich op het standpunt dat in dit kort geding argumenten die bij de uitleveringsrechter niet naar voren zijn gebracht, in de beoordeling moeten worden betrokken. De Staat meent dat van de in de memorie van grieven genoemde omstandigheden a tot en met l, de onderdelen a en l niet nieuw zijn en daarom in dit geding geen rol kunnen spelen. Het hof is evenwel van oordeel dat de nieuwe argumenten (b tot en met k) moeten worden beoordeeld in samenhang met de reeds door de uitleveringsrechter beoordeelde argumenten (a en l), die immers door en in combinatie met de nieuwe argumenten in een ander daglicht kunnen komen te staan. (rov. 3.3)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5c3ddec529929795fbbb2e0eed4d3e57be94f4fd5282946357a4789e06e1df24. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5c3ddec529929795fbbb2e0eed4d3e57be94f4fd5282946357a4789e06e1df24, en de alinea staat in dat document op bytes 14011 tot 14864.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5c3ddec529929795fbbb2e0eed4d3e57be94f4fd5282946357a4789e06e1df24 | shasum -a 256