Citaat | Hoge Raad 11 juli 2014
Onder 3.4.6 Hoge Raad 11 juli 2014
Een alinea uit Hoge Raad 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680.
Indien in het geding voor de burgerlijke rechter moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon door of mede door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd in verband met de zaak waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, is het besluit van de minister of de tenuitvoerlegging daarvan, mede gezien de hiervoor in 3.4.4 vermelde, door de uitleveringsrechter geformuleerde regel, zonder meer onrechtmatig en moet de uitlevering door de burgerlijke rechter worden verboden. Een andere opvatting past niet bij doel en strekking van het folterverbod, zoals neergelegd in art. 3 EVRM, art. 7 van het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (Trb. 1978/177), en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Trb. 1985/69). Dat verbod is immers van dwingend recht, heeft een absoluut karakter, en strekt ertoe foltering in de gehele wereld tegen te gaan (vgl. het hiervoor vermelde arrest van 15 oktober 1996, rov. 5.5.3).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5c3ddec529929795fbbb2e0eed4d3e57be94f4fd5282946357a4789e06e1df24. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5c3ddec529929795fbbb2e0eed4d3e57be94f4fd5282946357a4789e06e1df24, en de alinea staat in dat document op bytes 26781 tot 27793.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5c3ddec529929795fbbb2e0eed4d3e57be94f4fd5282946357a4789e06e1df24 | shasum -a 256