Citaat | Hoge Raad 11 juli 2014

Onder 3.4.7 Hoge Raad 11 juli 2014

Een alinea uit Hoge Raad 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680.

Een opgeëiste persoon die in het geding voor de burgerlijke rechter aanvoert dat hij door of mede door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd, dient zijn stellingen te specificeren en zoveel mogelijk toe te lichten. Indien die stellingen voldoende klemmend en aannemelijk zijn, kan het absolute karakter van het folterverbod in samenhang met de in de regel bestaande praktische onmogelijkheid voor de opgeëiste persoon om zulke stellingen te bewijzen of aannemelijk te maken, meebrengen dat op de Staat de verplichting rust nader onderzoek te doen naar de juistheid daarvan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5c3ddec529929795fbbb2e0eed4d3e57be94f4fd5282946357a4789e06e1df24. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5c3ddec529929795fbbb2e0eed4d3e57be94f4fd5282946357a4789e06e1df24, en de alinea staat in dat document op bytes 27884 tot 28564.