Citaat | Hoge Raad 11 juli 2014

Onder 3.5.3 Hoge Raad 11 juli 2014

Een alinea uit Hoge Raad 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof bij de beoordeling of de minister nader onderzoek had moeten doen naar de vraag of de VS aan Pakistan hebben verzocht de opgeëiste persoon aan te houden, terecht acht heeft geslagen op de door de opgeëiste persoon naar voren gebrachte omstandigheden dat (i) een rechter in de VS drie dagen na de aanhouding een arrestatiebevel tegen hem heeft uitgevaardigd, (ii) de VS Nederland meer dan drie maanden voor de overbrenging van de opgeëiste persoon naar Nederland, hebben verzocht om zijn aanhouding ter uitlevering, (iii) Pakistan geen, en Nederland wel een uitleveringsverdrag met de VS heeft en (iv) niet is gebleken dat de opsporingsactiviteiten van de Pakistaanse autoriteiten ten aanzien van de opgeëiste persoon gericht zijn geweest op zijn vervolging en berechting in Pakistan. Daarbij is mede van belang dat, zoals door het hof in aanmerking is genomen, de omstandigheden (i) en (ii) niet naar voren waren gebracht in de uitleveringsprocedure (rov. 3.3 van het tussenarrest; rov. 1.3 en 1.4 van het eindarrest).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5c3ddec529929795fbbb2e0eed4d3e57be94f4fd5282946357a4789e06e1df24. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5c3ddec529929795fbbb2e0eed4d3e57be94f4fd5282946357a4789e06e1df24, en de alinea staat in dat document op bytes 30179 tot 31267.