Citaat | Hoge Raad 7 februari 2014
Onder 3.4.1. Hoge Raad 7 februari 2014
Een alinea uit Hoge Raad 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:181.
Artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) bepaalt dat de voordelen uit hoofde van een deelneming zijn vrijgesteld. Deze vrijstelling strekt ertoe te voorkomen dat in een deelnemingsverhouding dezelfde winst tweemaal in een belasting naar de winst wordt betrokken (zie HR 22 november 2002, nr. 36 272, ECLI:NL:HR:2002:AD8488, BNB 2003/34). Uit deze strekking vloeit voort dat in beginsel de vergoeding voor een geldverstrekking door een moedervennootschap aan haar dochtervennootschap onder de deelnemingsvrijstelling valt wanneer deze vergoeding op grond van artikel 10 van de Wet, in verbinding met artikel 9 van de Wet, bij de dochtervennootschap niet voor aftrek in aanmerking komt. Daarom is voor het antwoord op de vraag of in het onderhavige geval de uitkeringen op de aandelen B onder de deelnemingsvrijstelling vallen beslissend of deze zijn aan te merken als een vergoeding voor het op de aandelen gestorte kapitaal of anderszins voor een kapitaalverstrekking door een aandeelhouder als zodanig.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcf6a80ad3379bd17218bdd843075d29b0e02d8573522744c57d951881358db6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcf6a80ad3379bd17218bdd843075d29b0e02d8573522744c57d951881358db6, en de alinea staat in dat document op bytes 16999 tot 18051.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dcf6a80ad3379bd17218bdd843075d29b0e02d8573522744c57d951881358db6 | shasum -a 256