Citaat | Hoge Raad 8 augustus 2014

Onder 3.5. Hoge Raad 8 augustus 2014

Een alinea uit Hoge Raad 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2149.

Daarbij verdient opmerking dat de omstandigheid dat bij de toepassing van artikel 7, lid 2, UBIW 1990 opzet of grove schuld van een derde – in dit geval het als gemachtigde van het belastingschuldige lichaam optredende accountantskantoor – kan worden toegerekend aan die belastingschuldige, niet betekent dat die toerekening bij toepassing van artikel 36, lid 4, laatste volzin, van de Wet ook aan de aansprakelijk gestelde kan worden tegengeworpen. In het aansprakelijkheidsrecht geldt dat eenieder in beginsel alleen voor zijn eigen daden en nalatigheden aansprakelijk is te houden, behoudens welomschreven, op de wet gebaseerde, uitzonderingen (vgl. HR 11 november 2005, nr. C04/197HR, ECLI:NL:HR:2005:AT6018, NJ 2007/231). In de onderhavige regeling is niet een zodanige uitzondering opgenomen. Voor de door het Hof toegepaste toerekening is daarom in zoverre geen ruimte.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a7289157de2eba9af18cc9bc4917ed4d388871d005ea98c7131eb1ed5e69f36a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a7289157de2eba9af18cc9bc4917ed4d388871d005ea98c7131eb1ed5e69f36a, en de alinea staat in dat document op bytes 18749 tot 19642.