Citaat | Hoge Raad 7 februari 2014

Onder 3.3.1. Hoge Raad 7 februari 2014

Een alinea uit Hoge Raad 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:224.

Bij de beoordeling van de middelen stelt de Hoge Raad voorop dat ter beantwoording van de vraag of voor de toepassing van artikel 13 van de Wet een geldverstrekking door een moedervennootschap aan haar dochtervennootschap als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden in beginsel beslissend is de civielrechtelijke vorm die de partijen aan de geldverstrekking hebben gegeven (vgl. HR 27 januari 1988, nr. 23919, BNB 1988/217). Gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van heden in de zaak met nr. 12/04640, ECLI:NL:HR:2014:181, onderdeel 3.4, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht, moet in een geval waarin de geldverstrekking naar civielrechtelijke maatstaven beoordeeld - al dan niet in overeenstemming met de vorm die door de partijen daaraan gegeven is - geldt als een verstrekking van aandelenkapitaal, ook voor de toepassing van artikel 13 van de Wet daarvan worden uitgegaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8a8fa64fc0e5d0c3e6db3fc63e0b3af5b56c265af30a4650dd674a5188aebee4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8a8fa64fc0e5d0c3e6db3fc63e0b3af5b56c265af30a4650dd674a5188aebee4, en de alinea staat in dat document op bytes 16163 tot 17128.