Citaat | Hoge Raad 9 september 2014

Onder 2.2.2. Hoge Raad 9 september 2014

Een alinea uit Hoge Raad 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2646.

- Het hof merkt allereerst op dat de proceshouding van verdachten, waarin deze pas zeer laat in de procedure hebben onthuld aan wie zij tracer en baken zouden hebben afgegeven, verbazing heeft gewekt. Ook lijkt de advocaat-generaal gelijk te hebben dat er geen concreet bewijs is dat [betrokkene 2] de set heeft opgehaald. De mogelijke leugenachtigheid van de desbetreffende verklaring van verdachten, die zou moeten volgen uit de ontkenning door [betrokkene 2] en haar SMS-contacten op 9 september met [slachtoffer 1], leidt echter niet zonder meer tot ontkrachting van het door de verdediging genoemde alternatieve scenario en is daardoor dus nog niet zonder meer redengevend voor het bewijs van het medeplegen van de moord, poging tot moord of medeplichtigheid daaraan. Indien het hof de conclusie van de advocaat-generaal zou overnemen dat hier sprake is van een kennelijk leugenachtige verklaring, maakt dat deze derhalve nog niet tot een bruikbaar bewijsmiddel. Het feit dat verdachten op dit punt zouden liegen, brengt voor het hof evenmin mee dat het mogelijke alternatieve scenario buiten beschouwing zou moeten blijven. Het hof heeft immers een eigen verantwoordelijkheid bij waarheidsvinding.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b4e1bd0e221ff4627921893495224274ca9b14c398f7b139722520187f03993f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b4e1bd0e221ff4627921893495224274ca9b14c398f7b139722520187f03993f, en de alinea staat in dat document op bytes 25178 tot 26394.