Citaat | Hoge Raad 9 september 2014

Onder 2.2.2. Hoge Raad 9 september 2014

Een alinea uit Hoge Raad 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2646.

Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachten aanwezig zijn geweest bij de moord en of poging tot moord op de A73 en dat zij daar hebben geschoten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Evenmin kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachten opzet hadden op het medeplegen van het levensdelict of op het behulpzaam zijn daarbij. De bewijsmiddelen zijn - ook in onderlinge samenhang bezien - daarvoor onvoldoende redengevend. Verdachten zijn niet door bewijsmiddelen te koppelen aan plaats en tijd van het delict. Er moet, ook al wordt door het openbaar ministerie aangenomen dat zij de uitpeilset niet aan [betrokkene 2] hebben afgegeven, een te grote stap worden gezet om te concluderen dat zij de set ook na 23.15 uur in hun bezit hebben gehouden, het baken hebben geplakt, de auto met daarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gevolgd en op hen, na 2.20 uur, hebben geschoten, dan wel dat anderen dat in hun opdracht hebben gedaan of althans dat zij aan deze misdaad medeplichtig zijn geweest.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b4e1bd0e221ff4627921893495224274ca9b14c398f7b139722520187f03993f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b4e1bd0e221ff4627921893495224274ca9b14c398f7b139722520187f03993f, en de alinea staat in dat document op bytes 35686 tot 36783.