Citaat | Hoge Raad 17 oktober 2014
Onder 3.8 Hoge Raad 17 oktober 2014
Een alinea uit Hoge Raad 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998.
In zijn beschikking van 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1422, NJ 1994/720 (rov. 3.1), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, indien de raadsman terugtreedt omdat zijn cliënt te kennen geeft niet meer door hem te willen worden bijgestaan, een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van art. 8 lid 3 Wet Bopz, in verbinding met het vierde lid van art. 45 Sv, meebrengt dat de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere raadsman wenst, en dat de rechter in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek dient te doen blijken. Er bestaat geen grond om anders te oordelen in een geval als het onderhavige, waarin de betrokkene te kennen geeft “zelf een advocaat te willen regelen”, doch de eerder toegevoegde raadsman (nog) niet is teruggetreden. De rechtsklachten van het onderdeel slagen derhalve, nu uit de beschikking van de rechtbank niet blijkt dat zij bedoeld onderzoek heeft verricht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea814c3e0bea5e20e6f34cd3448a9a0ac8c496d2bd35991568719c1a627f2534. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea814c3e0bea5e20e6f34cd3448a9a0ac8c496d2bd35991568719c1a627f2534, en de alinea staat in dat document op bytes 15538 tot 16508.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ea814c3e0bea5e20e6f34cd3448a9a0ac8c496d2bd35991568719c1a627f2534 | shasum -a 256