Citaat | Hoge Raad 28 oktober 2014

Onder 2.3. Hoge Raad 28 oktober 2014

Een alinea uit Hoge Raad 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042.

Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in een GBA, rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Nochtans bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte, zoals naar moet worden aangenomen hier het geval is geweest, ten tijde van de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b32f9aaa9a126a6ccb673d6ea00250fd2cbd530c06dd22f75a73fefa3205d42f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b32f9aaa9a126a6ccb673d6ea00250fd2cbd530c06dd22f75a73fefa3205d42f, en de alinea staat in dat document op bytes 7974 tot 8788.